Eens in de twee weken schrijf ik in dit blog over mijn gedachten, gevoelens en ervaringen tijdens mijn zoektocht naar een passende master. Hiermee hoop ik (aspirant) studenten, afgestudeerden maar ook studieadviseurs en docenten inzicht te geven in wat er allemaal komt kijken bij een keuzeproces.

Merel's open boek

De omgekeerde wake-up call.

Oké, ik geef het toe. Ik ben wispelturig en niet zo’n beetje ook. Dat zat er altijd al wel in hoor, ik heb mijn vader en moeder vroeger bijvoorbeeld meegesleurd naar de meest uiteenlopende sportclubs. Voetbal. Volleybal. Turnen. Majorette. En alles was leuk. Voor een paar weken dan. En nu gaat het om studies: van pedagogiek naar onderwijskunde, van onderwijskunde in Rotterdam naar onderwijskunde in Utrecht. En morgen droom ik waarschijnlijk van carrière als circusartiest.

En ik denk dat ik een heleboel lotgenoten heb. Ik hoor het vaak om me heen, dat wispelturige. Vriendinnen, huisgenootjes, teamgenootjes: (bijna) allemaal zitten ze in hetzelfde schuitje. Van een master in marketing naar een master human resource management. Of nee, doe toch maar criminologie. Er is veel keuze en als je eenmaal besloten hebt welke opleiding je wil gaan doen, heb je ook nog verschillende varianten op verschillende universiteiten. En als je dan verschillende meeloopdagen of open dagen bezoekt en net zo beïnvloedbaar bent als ik, kan je bij elke enthousiaste spreker weer met volle overtuiging denken: “Ja jongens, dit is het gewoon.”

Dat is wat ik in zekere zin dacht vanochtend. Ik mocht namelijk een werkcollege van de master Onderwijswetenschappen tijdens een meeloopdagen aan de Universiteit Utrecht bijwonen. Het leuke aan de ochtend was dat we, ondanks dat we niet in de materie zaten, mee mochten denken en mee mochten doen met de opdrachten die werden gegeven.

Het werkcollege ging over cross-over-kwalificaties: Mbo-scholen kunnen onder een aantal voorwaarden subsidie ontvangen van de overheid voor een specifieke cross-over-opleiding en daarmee de aansluiting tussen opleiding en bedrijfsleven verbeteren.

Hoe nerdy het misschien ook klinkt, ik ging aardig op in het werkcollege. Ik heb geboeid geluisterd naar de presentatie die door studenten gegeven werd en ook mijn inbreng gedaan tijdens de opdrachten. Ik denk dat ik zo geboeid was omdat de focus in het werkcollege (en ook in de master op zich) niet alleen ligt op de lerende binnen een school, maar dat het in een grotere context wordt gezien. Leren gebeurt in principe overal: in het bedrijfsleven, op scholen, bij het leger, bij de politie en ga zo maar door. In Utrecht is dat ook het uitgangspunt, wat maakt dat de master eigenlijk heel breed is en je ook breed inzetbaar bent. Al twijfel ik wel of je daarmee ook het circus in kan.

Zonder gekheid. Ik word van veel dingen enthousiast, wat niet per se verkeerd is maar wel vermoeiend begint te worden. Een soort omgekeerde wake-up call. In dit opzicht is het voor mij misschien een fijne keuze om voor Utrecht te gaan, waar je dus geen thema’s van onderwijskunde uitsluit en gaandeweg in je master wel merkt wat je ligt en wat je niet zo ligt. Uitstel van executie wellicht. Maar ik neig naar de variatie, liever dan de specialisatie. Voor mij zou het dus een “veilige keuze” zijn op een universiteit waar de sfeer goed is en waar ik me vandaag zeker op mijn gemak voelde.

Tot zover. Mijn ouders zijn dus nog niet af van hun wispelturige dochter. Vorige week vertelde ik mijn moeder nog dat ik waarschijnlijk in Rotterdam wilde gaan studeren. Nu vertel ik haar dat het waarschijnlijk Utrecht wordt. Zou ze net zo gek van mij worden als ik van mezelf?