Afgelopen woensdag 12 april 2017 verscheen de Staat van het Onderwijs 2015/2016: een jaarlijkse rapportage waarin de Inspectie van het Onderwijs kritisch kijkt naar hoe het onderwijs in Nederland ervoor staat. Het uiteindelijke verslag is gister door de Inspecteur-generaal van het Onderwijs Monique Vogelzang overhandigd aan minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker op het congres in De Fabrique in Utrecht. En uiteraard is daar met honderden schoolbestuurders, schoolleiders, docenten, leerlingen, studenten en wetenschappers over gesproken en gediscussieerd.

Een dagje inspiratie opdoen is nooit weg, en daarom waren wij er ook bij. De dag begon met een plenair programma, waarin een voorwoord werd gedaan, de staat van het onderwijs werd gepresenteerd en waarin de minister en de staatssecretaris hun meningen en gedachtes gaven over de belangrijke bevindingen van de Inspectie van het Onderwijs. In de middag was er een keuzeprogramma met een grote verscheidenheid aan workshops.

Een aantal dingen zijn ons opgevallen tijdens het plenair programma waarin de Staat van het Onderwijs gepresenteerd werd. Vorig jaar kwam er uit de staat van het onderwijs bijvoorbeeld naar voren dat de ongelijkheid in het onderwijs groeit. Leerlingen met laagopgeleide ouders krijgen onvoldoende kansen zich te ontwikkelen in vergelijking met leerlingen met hoogopgeleide ouders. Dat was destijds een schokkende bevinding, en ook dit jaar blijkt dat dit complexe probleem -logischerwijs- nog steeds speelt. Wel zijn er voorzichtige verbeteringen: basisschooladviezen worden vaker bijgesteld en de instroom vanuit het mbo naar het hbo neemt weer wat toe.

Dit jaar stuitte de inspectie ook op een ander probleem: er zijn te grote kwaliteitsverschillen tussen scholen. De Inspecteur-generaal leidde dit in met een voorbeeld. Stel je hebt twee buurmeisjes, allebei even slim en vaardig en allebei hebben ze ouders die genoten van hetzelfde opleidingsniveau. Het ene buurmeisje gaat vervolgens naar de school naast haar huis, het andere buurmeisje gaat naar de school aan de overkant. Beide buurtscholen, beide scholen met hetzelfde soort leerlingen. En toch gaat na acht jaar het ene buurmeisje naar het vmbo en de ander naar de havo. De school beslist in dit geval voor een groot deel op welke opleidingsniveau de meisjes terechtkomen en ook dat werkt ongelijkheid in het onderwijs in de hand.

Het gaat relatief goed met het onderwijs in Nederland: vergeleken met andere landen horen de prestaties van Nederlandse leerlingen tot de subtop. Toch moet het volgens de inspectie zo zijn dat er goed en passend onderwijs mogelijk is voor álle leerlingen, ongeacht bijvoorbeeld de achtergrond van de ouder of hun etnische afkomst. Gister hebben een heleboel mensen uit onderwijsland hun inspiratiemeter ieder geval weer op peil gekregen en ook wij zijn niet aan die inspiratieflow ontkomen. Misschien deels door de prachtlocatie, maar ook zeker door de interessante sprekers en workshops. Volgend jaar graag weer!