Studentenorganisaties Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) en de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) concludeerden deze week dat het geld dat wordt bespaard bij het afschaffen van de basisbeurs en de inzet van het leenstelsel[1], niet per saldo leidt tot een investering in het hoger onderwijs. Dit hebben zij uitgerekend door te kijken naar verschillende meerjarenbegrotingen van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en het ministerie van Economische Zaken (LVSb, 2017). Volgens het ISO en de LSVb betekent dit dat de bijdrage van de Rijksoverheid aan een universiteitsstudent in 2025 in het meest positieve scenario met één vierde daalt ten opzichte van het jaar 2000.

Geld dat vrijkomt door inzet leenstelsel

Het vervangen van de basisbeurs door het leenstelsel betekent dat de verhouding tussen lasten van de overheid en lasten van de student verandert ten nadele van de studenten. Dat doet pijn in de portemonnee van de studenten en hun ouders, maar volgens het ministerie van OCW staat daar wel iets tegenover, namelijk beter hoger onderwijs. Door het inzetten van het leenstelsel komt er zo’n 1 miljard euro vrij, wat zou worden ingezet voor de verbetering van het hoger onderwijs. Intensievere begeleiding, meer contacturen, beloningen voor wetenschappers die goed lesgeven en versterking van de opleidingscommissie om meer inspraak te realiseren, waren punten waarin zou worden geïnvesteerd (Rijksoverheid, 2014).

Mooie ideeën, maar het ISO en het LSVb rekenden uit dat de bijdrage van de Rijksoverheid per universiteitsstudent daalt van 19.900 euro per student per jaar in 2000 naar slechts 14.300 euro of minder in 2025. Voor hogescholen geldt een minder sterke daling, maar ook zij gaan er niet op vooruit. De studentenorganisaties vinden deze uitkomst zorgelijk en trekken daarom aan de bel. Namens heel studerend Nederland schrijven zij een brandbrief aan de formerende partijen.

Investeren in je studenten

Het ISO en de LSVb geven aan dat door niet te investeren in studenten en het hoger onderwijs, de overheid de eigen doelstellingen niet kan behalen. De Nederlandse overheid wil namelijk deel uitmaken van de top van de kenniseconomie; het beste studenttalent over de wereld aantrekken en dat we Nobelprijswinnaars voortbrengen. Dit gebeurt niet zomaar, daar moet in worden geïnvesteerd. Een sterke kenniseconomie, internationaal studenttalent en Nederlandse Nobelprijswinnaars staan ver van ons bed wanneer de overheid de bijdrage per student met bijna een kwart inkort.

Gelijke kansen voor aspirant studenten?

Er is een aantal categorie opleidingen dat naar alle waarschijnlijkheid minder zal leiden onder het terugdringen van de rijksbijdrage. Studies met selectie, waar opleidingen zelf hun studenten mogen selecteren onder vooraf opgestelde voorwaarden, kunnen namelijk wel een garantie bieden van goed onderwijs omdat zij met een vastgesteld aantal studenten werken. Hierdoor kunnen zij studenten meer contacturen en intensievere begeleiding aanbieden. Een aantal selectiestudies vragen nog een extra bijdrage van hun studenten. Hiermee kunnen ze betere wetenschappers aantrekken. Het uitblijven van investeringen vanuit de overheid, zal naar onze mening nog meer studenten stimuleren om te proberen toegelaten te worden tot een selectiestudie.

Hebben studenten die meedingen voor een opleidingsplek, ook allemaal dezelfde kansen? Het wordt steeds duidelijker dat studies met selectie niet altijd over het toelaten van de meest getalenteerde en intelligente studenten blijkt te gaan. Met voldoende financiële middelen, kan de toelating met stoomcursussen worden gemanipuleerd, zodat studenten kunnen uitblinken tijdens de strenge selectieprocedures. Een zorgelijke ontwikkeling, zo zeggen universiteiten, studentenorganisaties en ook minister Bussemaker (NOS, 2016). En dan hebben we het nog niet eens over de extra kansen die kunnen worden gecreëerd met bijvoorbeeld bijles voor hogere examencijfers of een cursus cv-schrijven. Interventies die kansen vergoten, maar zeker niet door iedere aankomende student kunnen worden gefinancierd.

Laat de voordelen van het leenstelsel zien!

Om ook aankomende studenten die niet over de financiële middelen beschikken om hun kansen te vergroten, wel de kwaliteit van goed onderwijs te garanderen, is het nodig dat de Rijksoverheid zich aan haar afspraak houdt en het vrijgekomen geld door de afschaffing van de basisbeurs en de inzet van het leenstelsel, investeert in het hoger onderwijs. Als je ieder jaar meer collegegeld vraagt van studenten en geen beurs meer biedt om de studie te bekostigen, is het wel zo eerlijk dat elke student daar daadwerkelijk wat van terugziet in de kwaliteit van het onderwijs. Want anders kan je die Nobelprijswinnaars ook wel op je buik schrijven.

Bronnen

LVSb. (2017, 10 april).  LSVb en ISO luiden noodklok over hoger onderwijs. Geraadpleegd op https://lsvb.nl/nl/2017/04/10/lsvb-en-iso-luiden-noodklok-hoger-onderwijs/

Rijksoverheid. (2014, 28 mei). Studievoorschot maakt investering tot €1 miljard mogelijk. Geraadpleegd op https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2014/05/28/studievoorschot-maakt-investering-tot-1-miljard-mogelijk

NOS. (2016, 11 december). Zorgen over prijzige stoomcursussen voor aankomende studenten. Geraadpleegd op http://nos.nl/artikel/2147852-zorgen-over-prijzige-stoomcursussen-voor-aankomende-studenten.html

[1] In september 2015 heeft de basisbeurs voor studenten in het hoger onderwijs plaatsgemaakt voor het leenstelsel. Vóór 2015 ontvingen thuiswonende studenten zo`n 100 euro en uitwonende studenten ongeveer 270 euro per maand, waarmee ze hun studie konden financieren. Deze financiering werd omgezet in een gift wanneer binnen 10 jaar een diploma werd behaald. Nu kunnen studenten onder redelijk gunstige voorwaarden dit bedrag lenen, namelijk een aflosfase van 35 jaar, vanaf het moment dat er minimumloon of meer wordt verdiend, tegen een zeer lage rente.